Visie opleiding in relatie tot het theorieaanbod
In de opleiding ligt ambachtelijk werken vanuit verschillende disciplines als licht, geluid, vormgeving, spel, tekst, beweging, speelstijlen en bronnen, ten grondslag aan de vijf hoofddomeinen lichaam, vormgeving, ruimte, samenhang/betekenis, deelnemer/publiek. Naast deze ambachtelijke training, zijn ook de competenties met betrekking tot de gewenste houding van groot belang. De theaterdocent / maker / creator (vervolgens te noemen: theaterdocent) is in staat de context, deelnemers en ruimte steeds opnieuw te kunnen onderzoeken en benutten om het theater specifiek daar, op die manier en met die mensen vorm te geven.
In het werk van de theaterdocent komen kritisch-reflectieve, omgevingsgerichte en interpersoonlijke competenties samen met de pedagogische en artistieke competenties. De theaterdocent kan zich verdiepen, weet niet alwetend te zijn en vraagt door, betrekt anderen, kent de eigen beperking en is tegelijkertijd in staat de basis van het vak/product vorm te geven en te vertalen binnen de specifieke context.
Doordat de opleiding gestoeld is op een meervoudig wereld- en mensbeeld, waarin diversiteit een gegeven is, zeggen we dat er niet een ‘juiste’ vorm van theater is en dat hetgeen wij aanbieden niet ‘volledig’ is. Dit heeft als consequentie dat het onderwijs voortdurend wordt bevraagd en in beweging is en verantwoordelijk blijft voor het aanbod dat het mogelijk maakt de student actief te laten meebewegen. Dit vraagt van de studenten een bewuste houding waarbij zij worden uitgenodigd mede verantwoordelijkheid te dragen. Van de opleiding vraagt dit een open klimaat waar ruimte is voor kritische feedback en oog voor blinde vlekken. Ook dient de student te worden getraind in de deze houding.
Visie theorie ‘training van het denken’
Bovenstaande uitgangspunten vragen om definiëring van aanbod, kennis en training van praktijk, op alle mogelijke manieren ondersteund door theorie. Hiertoe voorziet de afdeling theorie in het ‘trainen van het denken middels kennis en kunde, als meerwaarde voor de (maak- en pedagogische) praktijk’. Doel van het trainen van deze vaardigheden, is het denken aan te wenden ten dienste van de basis doelen van het curriculum: de artistieke verdieping en de ontmoeting met de ander. De training van deze vaardigheden vindt doorlopend plaats in alle vier opleidingsjaren en kent verschillende focussen. De theorie is hierbij niet slechts aanvullend, maar gelijkwaardig aan de praktijk en een voorwaarde voor de professionalisering van de pedagoog/theatermaker.
Het (theoretisch) denkkader inspireert, analyseert, systematiseert, vult aan, verdiept ordent en bevraagt. De HBO theaterdocent/maker is getraind in het gebruik maken en inzetten van dit vermogen ter voorbereiding, uitvoering of evalueren van een pedagogisch of maaktraject aan tafel of op de vloer. Het is geen noodzaak te vertrekken vanuit de theorie, verre van. Maar of je nu een cerebraal of corpus intelligent docent/maker/creator bent, de opleiding vertrekt vanuit de visie dat het noodzakelijk is kennis te hebben van de context d.m.v. research (historisch en veldgericht) en in staat te zijn het eigen handelen en maken, als wel hetgeen het veroorzaakt, te voorzien van idioom en te verbaliseren. Hierbij is het nadrukkelijk van belang ook het intuïtieve weten te laten bestaan en ons te realiseren dat het geven van taal lang niet altijd een meerwaarde vormt voor en in het maakproces. Daarnaast is het van belang dat de docent de kennis van de student als vertrekpunt neemt en waar mogelijk dat gebruikt om aan de theorie te verbinden. Het theorie aanbod is dus drieledig: overdracht, uitwisseling, verdieping van de signatuur van de student. Onder signatuur verstaan we hier alles wat de student inbrengt als materiaal en de context waarvan uit die start.
Het theorie aanbod is daarom voortdurend in beweging, in reactie op de transitie met elkaar en de wereld om ons heen. De theorie bevraagt de positie van het theater en de kunstenaar in deze tijd, maar ook die van de docent, het onderwijs en de rollen van docent en student. In de theorie wordt kritisch gekeken naar het materiaal waarmee wordt gewerkt, de taal die wordt gebruikt, de houding van docent en student en het doel dat het onderwijs (op micro en macro niveau) nastreeft.
Het is bij dit alles noodzakelijk dat we onderkennen dat zowel theorie als docent onvolledig, subjectief, en tijdsgebonden zijn. Daarom moet binnen de theorie actief gezocht worden naar ruimte om te bewegen en de canon op te schonen en aan te vullen met actueel, levend materiaal. Daarnaast moet er voldoende ruimte zijn om intersectioneel materiaal dat van waarde is in te brengen en over te dragen ten dienste van de vakmatige training van de theaterdocent met een eerste graads bevoegdheid op HBO niveau. Een voorwaarde hierbij is dat de docent theorie het behandelde materiaal ofwel intersectioneel is of dat voorziet van een dergelijk kader.
De theorie die binnen het curriculum wordt gegeven heeft twee hoofddoelen. Te weten de overdracht/uitwisseling van theoretische kennis/kunde en de toepassing van deze kennis en kunde op de vloer en in de praktijk. Voor deze twee aspecten zijn een aantal lestrajecten door de vier jaar heen ontwikkeld in een evenwichtig aanbod. (voor verdere toelichting zie de vakbeschrijvingen)
Uitgangspunten met betrekking tot ontwikkeling theorie.
De opleiding gaat uit van een ‘fluïde canon’, dit wil zeggen dat het theorie aanbod per definitie onvolledig is en dat onderkent. Daarbij is het belangrijk de mogelijkheid van meerdere perspectieven steeds inzichtelijk te maken. Wat bepaalt de keuze van het aanbod, wat moet altijd vertegenwoordigd zijn? En wat is beweeglijk en open voor aanvulling of aanpassing? Hierbij is naast overdracht ook de uitwisseling met en input van de student een onderdeel van het aanbod.
West-europese geschiedenis en theorie is het vertrekpunt van de theorie omdat wij ons lokaal bevinden op deze plek en die kennis is noodzakelijk om je in deze context als professional te handhaven. De opleiding is zich bewust van een in te lopen achterstand en een verantwoordelijkheid in het bijstellen van die contexten.
Om die reden vertrekken we vanuit de as van intersectionaliteit (gender, ras/etniciteit, klasse en seksualiteit). We nemen de betekenis van deze vier aspecten op het materiaal continu mee in het ontwikkelen van de theorie. Dit betekent dat ieder individu zich binnen verschillende domeinen begeeft en daardoor wisselende consequenties heeft. Daarom is het noodzakelijk onder meer de West-Europese geschiedenis en theorie te zien in relatie tot globaliteit: andere plekken, andere tijden, machten en verschillende perspectieven.
Theorie is in staat zichzelf te relativeren. Dit wil zeggen dat de theorie opgerekt wordt met verschillende zienswijzen, relativeringen en kritische beschouwingen. Het is van belang actief te zoeken naar blinde vlekken en dogma’s. Het helpt hierbij te vertrekken vanuit uitgangspunten in de kunst en cultuur die multi-interpreteerbaar zijn, zoals onder meer lichaam, ruimte, vorm, compositie, context, publiek, macht, taal, verhalen, riten, vermaak, verbeelding, spiritualiteit vs materialiteit, digitaal en analoog, individueel en coöperatief, traditie en innovatie, herkenning en vervreemding.
De keuze voor het materiaal wordt bepaald door vakmatigheid; die zichtbaar wordt in zgn. ‘knooppunten’; waarin sociaal-maatschappelijk, politiek en artistiek bij elkaar komt. Steeds wordt de koppeling gelegd met de fundamentele aspecten van waaruit de theaterdocent wordt getraind te weten lichaam, ruimte, vormgeving, publiek, deelnemers en samenhang van het geheel en context.
Differentiatie (inclusieve pedagogiek)
- Het theorie onderwijs richt zich in haar overdracht steeds op de drie basiskwaliteiten waarover de theaterdocent (uiteindelijk) moet beschikken: artistiek (persoonlijk/vakmatig) – pedagogisch/didactisch (docent) – academisch (analyse/logica/onderzoek/idioom). De theorie die zicht richt op het ontwikkelen van creatief ondernemerschap / creatorschap laten we hier buiten beschouwing. Zie daarvoor de vakbeschrijvingen.
- Hierbij is ‘differentiatie’ als werkwijze een noodzakelijke tool, mede omdat het gaat om het trainen van studenten die instromen vanuit verschillende onderwijsniveaus (VO, MBO, HBO en WO).
- Differentiatie van typen studenten maakt tevens differentiatie van het aanbod en de manier waarop de docent hierop reflecteert noodzakelijk. Niet elke student hoeft namelijk op elk niveau even geëngageerd te zijn of goed te presteren. Van belang hierbij is de volgende zaken in het oog te houden:
- Persoonlijke verbinding van de student/welke ervaring brengt de student in op deze drie niveaus/welke behoefte leeft er bij de student? Hoe deze expertise te kapitaliseren in een groep? Hoe dit op een haalbaar hoger niveau te brengen?
- Taal en kennis per student in te schalen, waarin loopt de student voorop, waarin is bijscholing mogelijk, welke expertise brengt de student in?
- Vermogen tot pedagogisch handelen (vertaalslag naar derden) wordt naast overdracht van kennis en kunde getraind. Vaardigheden als overdracht, verbinden, ontvangen, delen en contact maken zijn vaardigheden die in de basis vanzelfsprekend aanwezig zijn en dus op metaniveau worden getraind.
- Nieuwsgierigheid, betrokkenheid en verbindend vermogen bij zowel docent als student, gekoppeld aan veiligheid en groepsdynamiek (oa. check idioomgebruik en een open, vraaggerichte omgeving)
Aanbod van het theorie in het curriculum
Gesprekstraining
middels reflexiviteit/zendtijd/evaluaties en nagesprekken
In de reflexiviteitstraining onderzoeken we met welke (beperkte) blik en vanuit welk kader wijzelf naar de wereld kijken. Het bewustzijn over deze blik is volgens ons een voorwaarde voor diversiteit en inclusiviteit binnen de opleiding. We trainen ons bewustzijn in werkbijeenkomsten waarbij we vanuit verschillende bronnen in gesprek gaan.
Zendtijd is een vorm waarbij we als opleidingscommunity met elkaar kunnen onderzoeken hoe we ons tot actuele onderwerpen verhouden en hoe deze zich relateren tot ons vakgebied.
Evaluaties en nagesprekken: standaard afronding van een project en/of periode waarin gezamenlijk wordt teruggekeken naar de ervaring en resultaat
Vakmatige theater en pedagogisch gerelateerde theoretische kennis
-Geschiedenis/literatuur
-Analyse
-Filosofie
-Theater-en Kunstgeschiedenis
-Biografieën van makers-pedagogen.
-Theorie tbv domeinen waar focus op ligt (lichaam, ruimte, vormgeving, publiek & deelnemers, samenhang) in samenhang met projecten op de vloer.
-Overdracht mbt pedagogiek, (vak)didactiek, docentschap, koppeling docent-makerschap, onderwijsveld
Training van onderzoeksvaardigheden.
Schrijven als vaardigheid (dit is sinds vorig jaar in ontwikkeling, en betreft een ‘nulmeting’ bij aanvang studie 1e jaars, en vervolgens een traject dat op maat toepasbaar is om schrijfvaardigheid te trainen. Dit wordt gekoppeld aan schrijfopdrachten binnen het curriculum).
Essaytraining: hoe het onderzoek om te zetten in een eigen taal ten dienste van het eigen denken. Dit wordt in een opbouw van schrijfopdrachten door de jaren heen getraind en is in ontwikkeling.
Conceptonwikkeling/visie ontwikkeling. De conceptontwikkeling vindt door de jaren heen plaats, met nadruk in jaar 3 bij Prepare. Er wordt steeds gezocht naar een koppeling tussen vloer en praktijk, ratio en intuitie, en de vertaling naar derden (in woord, geschrift dan wel een combinatie daarvan).
Tekstanalyse en repertoire
Uit een evenwichtige lijst van 40 stukken gebaseerd op intersectionaliteit worden in overleg met de studenten 10 stukken gekozen om te bespreken. Hierbij worden feiten van de maker en het stuk gekoppeld aan het eigen idioom van de studenten en de huidige context van het theater en de samenleving.
Training onderzoeksvaardighedden
- De basisvaardigheden in het trainen van ‘onderzoek’ op HBO niveau, ten dienste van het werken met de ander zijn bij aanvang voor de student helder uiteengezet (doel, opzet en werkwijze). De opleiding maakt hierbij een onderscheid tussen ‘onderzoek’ en de intrinsiek ‘onderzoekende houding’ van de student (die een attitude betreft). ‘Onderzoek’ vormt een fundamenteel onderdeel van ‘de training van het denken’ die de student theaterdocent/maker eigen wordt gemaakt. Het ’onderzoekstraject’ maakt een integraal onderdeel uit van het maaktraject in het tweede jaar. Tevens maakt het deel uit van de theorielijn, die door alle jaren loopt. Dit onderdeel is bedoeld het ‘onderzoeken’ als tafelactiviteit te ervaren en resulteert tevens in materiaal voor het werken op de vloer. Het traject berust op drie pijlers: research/analyse; verwerking en toepassing. De trainingvan de onderzoeksvaardigheden is gericht op het ontwikkelen van een basis m.b.t. opbouw, werkwijze, presentatie en het beargumenteren van research en resultaat. Aan bod komen onder meer context onderzoek, interviewtechnieken, literatuuronderzoek en vorm/vloeronderzoek.
- De student leert vaardigheden om in diens eigen praktijk onderzoek te kunnen doen ten dienste van het vak en de resultaten van het onderzoek in te zetten in de praktijk. Waarbij de nadruk op een bepaald aspect van het onderzoek per jaar verschillend is.
- De student traint zichzelf te voeden en te verdiepen vanuit meerdere perspectieven. En traint zichzelf deze kennis te vertalen naar een externe bron (het eigen werk of een context) en dit materiaal te koppelen aan de actualiteit, de praktijk en/of het (werk)veld.
Uitgangspunten voor onderzoek door de student theaterdocent
Training van de vaardigheid ‘onderzoek doen’.
Kunnen zoeken/verzamelen van content; intuïtief en gericht (middels bronnen) in relatie tot het maken en de pedagogiek, het maken van verbindingen, connecties, associaties, analyses en het leggen van verbanden, het beargumenteren. Technieken aangereikt hebben gekregen, deze hebben getraind en toegepast. Methoden kwalitatief en kwantitatief onderzoek kennen en hebben onderzocht. Centraal hierbij staan een onderzoekende houding en basic onderzoekstechnieken. (gebaseerd op Verhoeven) Tevens het benoemen van online research: mogelijkheden, handigheden, gevaren en uitdagingen.
Training van de attitude.
De toepassing van het onderzoek op het maken/de pedagogiek; dit betreft de ‘houding’ van de student ten aanzien van het materiaal en de ander in de overdrachtssituatie (Biesta); evenals de attitude/houding van reflexiviteit: de eigen blik geplaatst naast en in gesprek met die van de ander/het andere. Het kritisch waardevrij denken en bevragen op een verdiepende en verruimende wijze. Vragen stellen, (eigen) waarden benoemen. Werken vanuit de leercirkel: doelen stellen, uitvoeren, evalueren, bijstellen. Het werken vanuit de ‘ongemakkelijke houding van het bewust onbekwaam zijn’. (Gebaseerd op Kolb)
Verdieping van de context als basis
Hierbij staat onderzoek naar de oorsprong en de omgeving centraal. Waar komt iets vandaan, welke betekenis(sen) heeft het in de huidige situatie? Lezen, bevragen en het begrijpen van teksten zijn hierbij essentiële competenties. Training van de ‘blik ’op het materiaal vanuit de grote, kleine en persoonlijke dramaturgie (Gebaseerd op van Kerkhoven)
Essaytraining en onderzoekstraining zijn beiden ‘work in progress’ en worden verder uitgewerkt in studiejaar ‘21/’ 22
Onderzoek en essaytraining liggen in elkaars verlengde. Beide zijn nodig voor de student om ook het eigen makerschap van taal en context te voorzien en zo te verdiepen en te ondersteunen. In de essaytraining leert de student woorden te geven aan de eigen visie op diens praktijk. Onderzoek is daarbij een middel.
Richtlijnen voor ‘onderzoek’ in het tweede jaar
De student dient rekening te houden met onderstaande.
- Werkwijze: tijdsindeling/bronnen/einddoel formuleren
- Manier van onderzoek vaststellen aansluitend bij de soort van bronnen en het einddoel. (Lezen, samenvatten, analyseren, vergelijken, interviewen, waarnemen, beschouwen)
- Inspiratiebronnen: research en verwerking (doen van bronnenonderzoek)
- Proces is onderdeel van het resultaat, aspecten in het proces dienen te worden opgenomen in het te beschrijven resultaat.
- Wat was de aanleiding, de functie, de huidige staat van het onderzoek? Wat is een evt vervolg?
- Wat heeft je geholpen? Waar loop je vast? Wat heeft je geïnspireerd?
- Niet het eindresultaat maar de weg ernaartoe is voor de pedagoog/maker van belang en verdient aandacht en taal ten dienste van diens praktijk.
- Het gaat erom het onderzoek een plek te geven ten opzichte van het eigen het maken/de pedagogiek.
To do bij onderzoekstraining in seizoen 22/23:
Dit is in schooljaar 21/22 voor het eerst onderzocht waar de volgende onderdelen het beste ingezet kunnen worden. Dat wordt geevalueerd en verder geimplementeerd schooljaar 23/24.
- Bronvermelding
- Bronnen verzameling
- Bron verwerking & gebruik
- Relatie bron en eigen denken (citeren en verwijzen)
- Gebruiksaanwijzing opzet teksten. Hoe? Regels?
- Hoe formuleer je de schrijfopdracht helder en begrijpelijk?
- Wat is de pedagogische opbouw van onderzoekstraining door de jaren heen?
- Letterlijke opdracht van docenten verzamelen
- Gebruiksaanwijzing voor studenten & pedagogische opzet
- Schrijftraining koppelen
- Duidelijker formuleren: welk instapniveau is een minimaal vereiste? Welk niveau is een gemiddelde? Waar is evt. bijscholing op mogelijk? Welk uiterste uitstapniveau is haalbaar/gewenst (ah eind van de lessenreeks/na vier jaar onderwijs) met als einddoel bevlogen, inspirerende, verbindende makers/docenten?
(Inspiratie)bronnen:
- Taalkracht; C.Brinkgreve ea.; ISVW uitgevers; 2020
- ISVW Podcast; Kristof van Rossum over het filosofisch gesprek; 2020
- Wat is onderzoek; Praktijkboek voor methoden en technieken; Nel Verhoeven; uitg Boom; 2014
- Van het kijken en van het schrijven; Marianne van Kerkhoven; uitg. Van Halewyck; 2002
- Door kunst onderwezen wilen worden; Gert Biesta; Artez Press; 2017
- Inleiding in de dramaturgie;Cock Dieleman; Adam Univers Press; 2020
- To Routledge Companion To Dramaturgy; ed.Magda Romanska ; Routledge; 2016