Periode, duur
Jaar 2, 1e semester, 7 weken

Studiebelasting
Contacttijd: 50 uur, zelfstudie: 25 uur

Bijdrage aan de competenties
1.1, 1.2, 1.3, 1.4, 1.5, 2.2, 2.4, 3.1, 3.2, 3.3, 4.1, 5.1, 5.5, 5.6, 6.1, 6.3

Inhoud
De focus ligt op het lesgeven vanuit een maakdoel, gekoppeld aan een artistiek inhoudelijk verlangen. In dit praktijkproject ‘Docerend maken’ binnen de context van het MBO gaat aandacht uit naar: wat train je, hoe train je, welk soort opdrachten kun je geven (maak-, improvisatie- en spelopdrachten?) En wat is daarbij jouw pedagogisch didactische inzet om je maakdoel te verwezenlijken en te ontwikkelen samen met de spelers.
We werken vanuit een tekstbron en beeldende bronnen. De student kiest een thema of personage en zoekt naar een speelstijl en vorm om hier een korte, liefst interdisciplinaire, presentatie (5 – 10 minuten) van te maken met de MBO spelers. Het tekstmateriaal dient als inhoudelijke inspiratie en is dus niet per se een script.

Leerdoelen
De student:

  1. Kan een opzet maken voor een les/trainingen- en maakdag(en) met MBO studenten.
  2. Heeft in handelen en reflectie aantoonbaar inzicht ontwikkeld in de dynamiek tussen: inhoud, spel, vorm, ruimte en publiek ten bate van conceptontwikkeling, les-opzet en kijkrichtingen tijdens het werken.
  3. Heeft in reflectie aantoonbaar inzicht ontwikkeld in eigen pedagogisch handelen.

Methodiek / Werkvormen

  1. Het leren kijken en reflecteren vanuit de 5 domeinen van spel, vormgeving, betekenis, ruimte, publiek. Waarbij we in dit project starten vanuit het domein van de betekenis; door het onderzoeken en analyseren van de gekozen bronnen.
  2. Analyseren van voor studenten bekende speloefeningen in relatie tot beoogde speelstijl.
  3. Feedback geven in relatie tot de feedforward. (Hoe formuleer je je opdrachten, hoe geef je de spelers feedback?)

Opdrachten / Wijze van toetsing
Er wordt eerst 3 weken intern binnen de klas gestart met verkennen van de bronnen, spelopdrachten, kijkrichtingen en ontwikkeling spel en maakconcept waarmee ze gaan werken met de MBO spelers. Vervolgens werken de studenten een aantal (+/- 3) sessies met circa 10 spelers van het MBO:
Introduceren speelstijl, aftasten beginsituatie; Wie zijn mijn spelers? Wat kunnen ze? Hoe kan ik ze (ook als medemaker) engageren met mijn inhoud en artistiek verlangen? Tijdens een afsluitende projectweek maken de studenten een korte presentatie:
WAT: er wordt een thema gekozen op basis van de bronnen. HOE: studenten kiezen een specifieke inzet van spel, vormgeving, ruimtegebruik en eventueel inzet muziek en maken een keuze over publieksopstelling. Na de presentatie is een nabespreking met de spelers.
Ook geven medestudenten commentaar op de gekozen uitgangspunten: hoe ze de student daarmee hebben zien werken, wat hen opviel aan het pedagogisch handelen, wat het resultaat was. Makers schrijven op basis hiervan een zelfreflectie. Daarna wordt de volgende training voorbereid, waarbij ook speloefeningen worden geïnventariseerd en geanalyseerd.
Op overige lesmomenten werken studenten met de docent en medestudenten aan hun maakconcepten. Op deze dagen wordt het concept systematisch vanuit de vijf domeinen bevraagd.

Beoordelingscriteria

  • De student kan een ontwerp maken voor een les/maakproces waarin de koppeling tussen eigen fascinatie en het werken met de spelers onlosmakelijk verbonden is (koppeling artistiek en pedagogisch handelen).
  • De student toont in handelen en reflectie zicht op de dynamiek tussen inhoud, spel, vorm, ruimte en publiek t.b.v. kijkrichtingen tijdens het werken.
  • De student is nieuwsgierig naar de spelers, kan hen engageren met de eigen fascinatie en als medemakers aanspreken.
  • De student kan reflecteren op eigen pedagogisch handelen en hier sturing aan geven.

 

Delen