Periode
Jaar 2
Studiebelasting
15 uur voorbereiding, 30 uur op de vloer
Bijdrage aan de competenties
1.1, 1.2, 1.3, 1.4, 1.5, 2.2, 2.3, 2.4, 2.6, 3.1, 3.2, 3.3, 3.4, 3.5, 4.1, 4.3, 4.5, 5.1, 5.2, 5.5, 5.6, 6.5
Inhoud
Het 1e semester heb je een atelierweek gehad, nu is het tijd dat wat je toen ontdekt hebt verder te ontwikkelen in het ‘Tweede Maakatelier’! Het doel is om op deze gebieden een vervolgstap te zetten: conceptontwikkeling, dramaturgie, semiotiek, werken met spelers als medemakers en vormgeving. Om meer grip te krijgen op het toepassen van een dramaturgie in je werk, willen we dat iedereen vertrekt vanuit een bron die al een dramaturgie in zich heeft. Daarom is de opdracht:
- kies een van de aangegeven theaterteksten als bron;
- bepaal het thema en benoem wat je fascineert;
- in de conceptontwikkeling weken krijg je lessen in moderne en klassieke dramaturgie, en opdrachten/begeleiding om je vormgeving, vorm en uitgangspunten te benoemen;
- onderzoek vervolgens in je Maakatelier deze uitgangspunten met je spelers, creëer theatraal materiaal en componeer dit tot een betekenisvolle boog. Waarin je een dynamische kijkervaring voor het publiek veroorzaakt, waarin je jouw engagement vormgeeft met aandacht voor de relatie tussen publiek-performer-ruimte.
Praktische uitgangspunten
- Aantal uur beschikbare begeleiders: 12,5 uur;
- Aantal werk uren in de studio: 4 dagen tussen 09.00-22.30 (zelf in te delen),
- met op de vrijdagavond de presentaties/performances/openstelling atelier (tijd nog te bepalen);
- Spelers zijn van binnen of buiten opleiding, afhankelijk van advies;
- Een klasgenoot is regie assistent gedurende de week;
- Indicatie duur van presentatie/openstelling atelier: maximaal 30 minuten, er wordt 2 x gepresenteerd op de vrijdag avond.
Onderdelen van de opdracht
Lezen en kiezen theatertekst.
Concept ontwikkelen.
Maakatelier doen inclusief 2 afsluitende toonmomenten.
Zelfevaluatie schrijven.
Beoordelingscriteria
- De student kan gebaseerd op een theatertekst een thema en eigen fascinatie benoemen en dit vertalen naar uitgangspunten qua vormgeving, ruimte en spel.
- De student kan deze uitgangspunten samen met de spelers onderzoeken en omzetten naar theatraal materiaal.
- De student kan de spelers begeleiden in spel.
- De student kan de betekenis duiden in de interactie tussen vormgeving, speler, ruimte en publiek.
- De student kan het theatrale materiaal componeren tot een betekenisvolle boog.
- De student kan zijn eigen leren en werk organiseren; dit is zichtbaar in het zelfstandig te werk gaan, het regelen van benodigdheden {zoals vormgeving}, communicatie met begeleiders.
- De student heeft inzicht in het effect van het eigen handelen door op het onderzoek en de presentatie te reflecteren in een zelfreflectie.
Bijzonderheden samenhang met overige opdrachten
Deze opdracht hangt samen met de Atelier opdracht in het 1e semester en bijbehorende conceptontwikkeling.