Periode, duur
Jaar 2, 2e semester 12 weken
Studiebelasting
Contacturen 36 uur, zelfstudie 3 uur
Bijdrage aan de competenties
1.1, 1.2, 1.3, 1.4, 2.2, 2.3, 2.4, 2.6, 3.2, 3.3, 5.1, 5.5
Inhoud
De lessen richten zich op de ontwikkeling van beweging als theatrale taal. Studenten ontdekken mogelijkheden en grenzen van het lichaam als spel/bewegingsinstrument. Het vormgeven van interne impulsen als gedachten, emotie, fantasie en externe impulsen vanuit zintuigelijke waarneming. Het leren van ingangen/methodes om beweging in de praktijk als instrument te gebruiken.
Studenten ontwikkelen hun eigen fysieke taal zowel als speler als maker/docent. Dit doen we door:
Fysieke training en bewustwording eigen lichaam
Overdracht; leren om als docent/maker spelers tot beweging te brengen d.m.v. opdrachten. De ander een kader geven om daarbinnen te bewegen en dit te kunnen reproduceren. Inhoud vanuit fysiek vormgeven.
Gedurende de laatste lessen worden er diverse doelgroepen uitgenodigd waarmee de student een creatieproces doorloopt op basis van een voorbereid concept. De docent begeleid de student bij ontwerp en uitvoering.
Leerdoelen
Training, ontwikkeling conditie, bewustwording lichaam in beweging en handelingen.
Gebruik maken van het lichaam en de functie daarvan in de ruimte.
Bewust worden en hanteren van relatie, taal/ gebaren (tekst en beweging).
Toe-eigenen van dansvaardigheden in improvisatie en eigen compositie.
Ingangen en methodes hanteren als ingang vanuit fysiek in actie te komen.
Methodiek / Werkvormen
De lessen bestaan grotendeels uit improvisatie en maakopdrachten. Opdrachten die vanuit een kader de studenten leiden naar zelfstandige verwerking, individueel en met medestudenten. Tijdens het werken aan de opdrachten ontvangen de studenten coaching vanuit de docent. Daarnaast start iedere les met een korte fysieke training gericht op conditie, alertheid en coördinatie. Iedere les speelt in op een invalshoek zoals het aansporen tot creativiteit en gebruik van tijd, dynamiek en ruimte. Tijdens de lessen ligt de nadruk op het eigen kunnen en niet op de beperking. Studenten bouwen zelfvertrouwen op en durven te experimenten
Opdrachten / Wijze van toetsing
Opdrachten waarin hun vaardigheden laten zien betreft:
- Vermogen tot een effectieve overdracht in het proces van maken.
- Theatraliteit. Van inhoud tot beweging komen.
- Gebruik tijd, dynamiek en ruimte.
- Bewustzijn eigen fysiek.
- Ontwikkeling van eigen fysieke taal.
Beoordelingscriteria
1. De student kan het lichaam bewust inzetten ten aanzien van beweging en handeling.
2. De student kan als docent/maker opdrachten ten aanzien van het creëren van bewegingsmateriaal door anderen ontwerpen en het ontstane materiaal ontwikkelen en reproduceren.
3. De student hanteert bewust de betekenisgeving en vorm in de relatie tussen taal en gebaren.
4. De student kan inhoud en beweging beide als vertrekpunt hanteren tot het ontwikkelen van theatraal bewegingsmateriaal met zeggingskracht.
5. De student kan de materie onderzoeken vanuit een autonome als wel een coöperatieve werkhouding.